Een nieuwe stadspoort voor Amsterdam

gevel Amsterdam Centraal fotograaf: Jannes Linders

Al in 1876 komen de gemeente Amsterdam en de Rijksoverheid tot de overeenkomst om drie spoorlijnen die buiten de stadsomwalling van Amsterdam eindigen, te verbinden middels een centraal station. Dit station en de spooremplacementen dienden een plek te krijgen op drie nieuwe eilanden in het open havenfront, direct voor de monding van de Amstel. Het station zou aangesloten worden op een verhoogd spoor zodat de scheepvaart over de Amstel in verbinding bleef staan met de stad dankzij de waterverbindingen tussen de eilanden. Het station kwam loodrecht te liggen op het Damrak en onttrok de oude haven aan het zicht vanuit de stad. Met een rijk en ambitieus decoratieprogramma op de gevel van Amsterdam Centraal presenteerde architect Pierre Cuypers het station als een nieuwe stadspoort. 

Functionele indeling

De functionele indeling van het station werd in 1877 ontworpen door ir. A.J. van Prehn (1824-1880). De basis van zijn plan werd gevormd door een grondige analyse van de ‘efficiënte stationslogisitiek’. Van Prehn ontwierp een grondplan met een logische ruimtelijk-functionele indeling. De indeling volgde de reiziger in alle stappen van de reis: aankomst, bagageafhandeling, aankoop van het vervoersbewijs, wachttijd en bestijgen van de trein. Van Prehns grondplan vormde de basis van het stationsgebouw, dat werd ontworpen door architect Pierre Cuypers (1827-1921). Cuypers gaf ‘zijn’ station vorm als een eigentijdse stadspoort.

Nationale bouwstijl

Cuypers' opdracht was een station te bouwen in een Oud-Hollandsche stijl met ‘nationale’ materialen. Wat nou precies die nationale bouwstijl moest worden, was destijds onderwerp van felle discussies waaraan politieke, religieuze en sociale standpunten ten grondslag lagen. Cuypers stond bekend als een katholiek architect met een voorliefde voor de neogotiek. De keuze voor Cuypers als architect van twee van de belangrijkste gebouwen van de stad – het centraal station en het Rijksmuseum dat rond dezelfde tijd tot stand kwam – was omstreden.
Overigens verwees Cuypers ook met zijn ontwerp van het Rijksmuseum naar de oude stadspoort. De gebouwen lagen destijds aan de grenzen van de stad: de één in het noorden en de ander in het zuiden. Met de bouw definieerde hij een stedenbouwkundige visie op de stad en gaf hij vorm aan de symbolische toegangswegen tot de stad.
Waar het Rijksmuseum ook neogotische invloeden bevatte, koos Cuypers bij het centraal station voor een eclectische, overwegend neorenaissance bouwstijl. Voor publieke gebouwen was dat destijds het meest gebruikelijk. De gevels werden opgetrokken uit rode verblendstenen op een plint van hardsteen. De speklagen, hoekkettingen en de bosseringen waren van zandsteen. 
De decoratie van de gevel en het interieur sloot aan bij de grondgedachte van Van Prehn: de rijkdom en de onderwerpen werden afgestemd op de functie van de ruimtes, de routing door het gebouw en de hiërarchie van de verschillende gebouwdelen.
Het centrale deel van de gevel, die vanaf het Damrak prominent zichtbaar is, accentueerde Cuypers met een hogere noklijn en twee torens. Achter dit centrale geveldeel kwam de stationshal te liggen. De gevel van de hal werd bijzonder rijk gedecoreerd. Ook sprong de gevel ten opzichte van de zijvleugels naar voren. Dit wordt ook wel risaliet genoemd. Verderop risaleert een geveldeel nog iets sterker: het koninklijk paviljoen in de westvleugel. Dit deel kreeg een hoge kap en een geveldecoratie die verwijst naar het gezag van het Koningshuis. Het geveldeel waarachter de dienstwoning van de stationschef lag, kreeg een huiselijke erker. De overige geveldelen – waarachter goederen werden overgeslagen, de posterijen een plek hadden en de bagageafhandeling gesitueerd was – werden ‘ondergeschikt’ ontworpen: de lagere bouwdelen werden eenvoudiger gedecoreerd.

Handig manouvreren

De decoratie van de gevel en het interieur was niet opgenomen in de begroting, noch in de bestektekeningen. Door handig manoeuvreren en met hulp van zijn vriend Victor De Stuers (1843-1916) – de grondlegger van de Nederlandse monumentenzorg – kreeg Cuypers het toch voor elkaar dat het gebouw rijk gedecoreerd werd met beeldhouwwerk en wandschilderingen. Wat betreft het decoratieprogramma zijn weinig historische bronnen bewaard gebleven. Uit brieven blijkt wel dat Cuypers veelvuldig bepaalde welke schilderingen en decoraties waar moesten komen. Soms maakte Cuypers schetsen voor de decoraties die door andere kunstenaars uitgewerkt werden. Ambachtslieden brachten ze aan op de gevels.
Wat betreft het inrichtings- en decoratieprogramma werd Cuypers bijgestaan door zijn zwager Joseph Alberdingk Thijm (1820-1889) en door Victor De Stuers. Beide waren vertegenwoordigers van een internationale beweging die invloeden uit de middeleeuwse cultuur en bouwkunst vertaalde naar ‘de nieuwe tijd’. Schrijver/dichter Alberdingk Thijm had grote kennis van de Middeleeuwse cultuur en van iconografie. Hij schreef bovendien de dichtregels die op veel plekken in (en op) het gebouw terug te vinden zijn. De Stuers was een invloedrijk (katholiek) politicus, ambtenaar en advocaat. 
Cuypers citeerde met zijn decoratie, verschillende gebouwen uit de vroege renaissance en met name gebouwen uit het zuiden van de lage landen. Ook haalde hij inspiratie uit gebouwen uit de tijd van voor de Nederlandse Opstand en de Reformatie: een tijd waarin het land nog niet politiek en religieus verdeeld was. Zo refereert de detaillering van de gevel onder meer aan de beginjaren van de Hollandse Renaissance: de periode 1520-1570.

Verschillende beeldhouwers

Voor het ontwerp en de uitvoering van het beeldhouwwerk op de voorgevel werden verschillende beeldhouwers aangesteld. Bij de ene voorstelling werd de beeldhouwer nogal vrijgelaten, bij de andere was de bemoeienis van het drietal intensief. Van de grote reliëfs op de torens is bijvoorbeeld bekend dat ze door zowel Cuypers als De Stuers keer op keer werden becommentarieerd waarna beeldhouwer Jean-François Vermeylen (1857-1922) aanpassingen pleegde. Voor de wandschilderingen in het interieur werd de Oostenrijkse kunstenaar Georg Sturm (1855-1923) benaderd. Zijn handschrift is duidelijk af te lezen aan de vele bloemen en planten die herkenbaar zijn weergegeven. Sturm maakte de kartons: ontwerpen op ware grootte die als voorbeeld dienen. De schilderingen werden aangebracht door J. Visser jr. (1856-1938), Gerrit Hendrik Heinen (1851-1930) en de decoratieschilders van Heinens atelier.
Diverse voorstellingen in het station grijpen terug op de roemrijke handelspositie die Amsterdam in de 17e eeuw innam. Zo is de spelling van de spreuken 17e-eeuws en refereren voorstellingen in de stationshal, de grote vergaderzaal op de eerste verdieping en de reliëfs op de voorgevel aan de Gouden Eeuw. Cuypers spiegelde zich bovendien aan architect Jacob van Campen. Hij wilde met het station een evenknie van diens beroemde stadhuis op de Dam realiseren. Het reliëf van de Stedenmaagd op het middenrisaliet citeert nadrukkelijk het timpaan van Van Campens stadhuis. Dit reliëf, waarin de volkeren van de wereld een tribuut brengen aan de Stedenmaagd, refereert aan de Amsterdamse handelspositie in de Gouden Eeuw en dient als allegorie op de toekomst. De verwijzing naar de geschiedenis van de stad zou daarbij een voorbode zijn voor de voorspoedige toekomst die mede door de uitbreiding van het spoorwegnetwerk aan zou breken. 
De invloed van Jacob van Campen ging verder. Zo refereert ook de inrichting van de grote vergaderzaal en de stationshal aan de burgerzaal in het Stadhuis. Zij moesten volgens Cuypers gaan fungeren als publieke plekken waar de burgerij bijeen kon komen: net als in de burgerzaal in het stadhuis. De decoratie(plannen) werden hierop afgestemd. Ze verbeelden de burgerij en historische scènes die van belang waren voor de geschiedenis van Amsterdam. Slechts een klein deel van deze historische scènes zijn overigens uitgevoerd. 
Na de oplevering van het station kreeg het Damrak een opknapbeurt. Het werd het visitekaartje van de stad. Een herinrichting, renovatie en de aanplant van bomen zorgden voor het ontstaan van een fraaie route van en naar het station. Ook ontstond zo een waardige zichtlijn vanaf de Dam. Cuypers werd hierbij geïnspireerd door de architectuurcriticus Pugin. Door de omgeving nadrukkelijk te betrekken bracht hij de ontwerpopgave verder dan ‘de architectuur’. In lijn met het ideaalbeeld van de middeleeuwse stad, waarin publieke en religieuze gebouwen een bepalende rol speelden, wilde Cuypers de maatschappij vormgeven. Dit uitte zich in het markeren van gebouwdelen door architecturale ingrepen als torens en paviljoens en neogotische ornamenten maar ook in het aanpassen van het gebouw aan de stedenbouwkundige context. Daarbij zag Cuypers het Rijksmuseum en het centraal station als markante momenten op een geënsceneerde route door de stad. De façades vormden daarbij een belangrijke markering die toegang bood tot twee belangrijke publieke ruimten: het Museumplein en de overdekte stationshal.

Heraldiek

De voorgevel van Amsterdam Centraal bevat diverse wapenschilden. Ze geven het gebouw cachet als ‘hoofdstedelijk station’. Ze refereren bovendien aan de bereikbaarheid per spoor van zowel de Nederlandse provincies als de ons omringende landen. Ook representeren de wapens de internationale handel die dankzij het spoor mogelijk werd. Handel en passagiersvervoer zorgden voor ‘verbroedering van de volken’.

Vierluiken

Naast heraldiek zijn vierluiken een terugkerende element in de gevel van Amsterdam Centraal: er is een voorstelling van de delen van een etmaal in vier panelen, en een voorstelling van de vier elementen en van volkeren uit de vier continenten. De vier wijzerplaten van de klokken en de windwijzers zijn elk voorzien van vier symbolen. Ook elders treffen we vergelijkbare vierluiken aan. Zo bevat het koninklijk paviljoen wandschilderingen van de vier seizoenen en de vier levensstadia.

Reliëfs

In het decoratieprogramma zijn drie grote, samengestelde reliëfs aangebracht. Op de westelijke en oostelijke toren wordt de oude tijd verbeeld en wordt gewezen op de welvaart en verbroedering die het spoor en stoomwezen brengt.
Op de westelijke gevel wordt eveneens de Roem van het spoor gevierd in een negendelig reliëf dat de spoorwegpioniers en de technische wetenschappen behorend bij het spoor verbeeldt. Onder de negen panelen is een reliëf aangebracht van het gevleugeld wiel, het internationale symbool van de spoorwegen.
Centraal op de gevel wordt Amsterdam als handelsnatie uitgebeeld met het driedelige reliëf Tribuut aan de stedenmaagd. De stedenmaagd is omringd door representanten van de continenten. Lager op de gevel wordt de verbindende kracht van het spoor wordt gesymboliseerd door de verbeelding van Europese volkeren, volkeren uit de vier windstreken.
Prominent boven aan de gevel prijkt het rijkswapen.

Het Koninklijk paviljoen

De gevel van het koninklijk paviljoen is onderdeel van de oostvleugel en dit geveldeel springt het verst naar voren. De decoratie, de spreuken en de wapens op het koninklijk paviljoen zijn gerelateerd aan het Koningshuis, aan het reizen en in het bijzonder aan ‘de blijde inkomst’.
Er zijn cartouches met poëzie, en een vijfdelig reliëf dat de verschillende stadia van de reis verbeeldt. Heraldiek is er in de vorm van het koninklijk wapen en alliantiewapen. Op de nok van het dak staat de schilddrager des konings.

Bouwsculpturen

Op de gevel en daklijsten zijn nog diverse waterspuwers te ontdekken. Ze zijn gemaakt in Cuypers’ atelier voor kerkelijke kunst in Roermond. Deze bouwsculpturen zijn vooral gebruikelijk op kerken. Het besluit om het centrale station in het open havenfront van Amsterdam te realiseren werd niet gemakkelijk genomen. Het heeft geleid tot een stadspoort met een rijke geveldecoratie, die door geen ander Nederlands station wordt geëvenaard, en waarin de belofte van het spoor voor de welvaart van de handelsnatie en de stad wordt verbeeld. 

Op de spoorbruggen rondom het station stonden in het verleden 22 sculpturen van schilddragende leeuwen. Zij droegen de wapenschilden van de stad en het Rijk, daarmee verwijzend naar de felle debatten die vooraf gingen aan de stationsbouw. De leeuwen zijn weggehaald op het moment dat het aantal sporen werd uitgebreid. Het Genootschap leeuwen van het centraal station heeft 16 van de 22 leeuwen getraceerd. Ze staan in particuliere tuinen en openbare parken verspreid over het land.

Tenslotte is op beide nokken van de stoomkap een gevleugeld wiel geplaatst.

Bronnen:                                                                                  

H. Romers, Spoorwegarchitectuur in Nederland 1841-1938, 1981, pp. 156-161.
W. van Leeuwen en H. Romers, Een spoor van verbeelding. 150 jaar monumentale kunst en decoratie aan Nederlandse stationsgebouwen, 1988, pp. 18 -25, 86.
De Sluitsteen. Jaarboek 14 (1998), pp. 52-60.
Algemeen Handelsblad. Nieuwe Amsterdamsche Courant, Het Centraal Station, 12 oktober 1889.
A. Oxenaar, Centraal Station. Het paleis voor de reiziger, 1989, pp. 50, 72, 76.
TAK architecten, Cultuurhistorische waardestelling station Amsterdam Centraal, 2015.