PoëzieStation Amsterdam Centraal

De gevel van het koninklijk paviljoen is onderdeel van de oostvleugel. Het geveldeel springt het verst naar voren en krijgt daarmee een prominente positie. De decoratie, de spreuken en de wapens op het koninklijk paviljoen zijn gerelateerd aan het Koningshuis, aan het reizen en in het bijzonder aan ‘de blijde inkomst’.

Op de zijgevels van het koninklijk paviljoen zijn twee tegeltableaus aangebracht. De tableaus zijn voorzien van een gedicht van Joseph Alberdingk Thijm (1820-1889), geschreven in gouden letters. Ze worden omkaderd door beeldhouwwerk van Eduard Roskam (1854-1919).

De dichtregels gaan over emoties die verbonden zijn met de reis. Op de westgevel staat de ode aan reislust: “Bezoekt fortuin somtijds / ook hem die stille zit / De veerkracht van den geest / drijft ons naar vreemde landen / Zoo sluiten volk met volk / hun vruchtbre broederbanden / Rust roest geen spreekwoord / gaat zoo zeker door als dit.” Op de oostgevel is een ode aan thuiskomst te lezen: “Daar Vonkt een dierbre gloed / in eigen huis en haard / Neemt men van daar zijn vlucht / met sterk gespierde vleuglen / De wijze weet zijn kracht / te vieren en te teuglen / Hij kent de weelde hem / in ’t welkom thuis bewaard.” Beide kwatrijnen worden omgeven door een natuurstenen reliëf verrijkt met festoenen, cornucopia en grotesken.

Eduard Roskam (1854-1919) was zoon van een beeldhouwer en geboren in Amsterdam. Roskam had een atelier in Leuven, België.

Joseph Alberdingk Thijm (1820-1889) adviseerde architect Pierre Cuypers bij het inrichtings- en decoratieprogramma. Hij was vertegenwoordiger van een internationale beweging die invloeden uit de middeleeuwse cultuur en bouwkunst vertaalde naar ‘de nieuwe tijd’. Schrijver/dichter Alberdingk Thijm had grote kennis van de Middeleeuwse cultuur en van iconografie. Hij schreef de dichtregels die op veel plekken in (en op) het gebouw terug te vinden zijn