Telegrafie, Stedenmaagd, Posterij en stoomwezen, Arbeid en TijdStation Groningen

Hoog op de west- en oostwand van de stationshal van Groningen bevinden zich vijf grote tegeltableaus met vijf allegorische figuren, passend bij het spoor. De tableaus zijn ontworpen door F.H. Bach. Hij maakte de zogenaamde kartons: ontwerpen op ware grootte in kleur. Op basis hiervan werden de tegels vervaardigd door plateelbakkerij Rozenburg in Den Haag. Deze fabriek verkreeg zijn bekendheid mede door hun productie van art nouveau tegel- en aardewerk.

Zowel qua voostelling, compositie als lijnvoering staan de tableaus in de traditie van de jugendstil of art nouveau. Alle voorstellingen zijn grafisch van aard en suggereren weinig diepte. Het gehele oppervlak van de tableaus is benut. Vooral de tableaus op de westwand zijn een treffend voorbeeld van het zogenaamde horror vacui, ofwel de vrees voor het lege: een verschijnsel waarbij kunstenaars werkelijk elk leeg plekje opvullen.

Stedenmaagd, Telegrafie en Posterij en stoomwezen

Op de westwand zien we drie tegeltableaus met vrouwelijke personificaties: de Stedenmaagd met aan weerszijden Telegrafie en Posterij en stoomwezen. Bovenaan zijn in de ronde schilden de verworvenheden van de nieuwe tijd verbeeld. Onderaan, in de hoeken met de keten ertussen, zien we de symbolen van de oude tijd. Symbolisch verwijzen de tableaus naar de introductie van de stoommachine welke de mensheid had bevrijd van de ketenen die de oude tijd ons had opgelegd. Telegrafie en Post knielen naar elkaar toe. Het middelste tableau verbeeldt de stedenmaagd van Groningen. 

Het linker tegeltableau toont een knielende vrouw in een klassiek gewaad: Telegrafie. Ze houdt een bundel bliksemschichten vast. Aan haar voeten heeft ze vleugels. Een posttas hangt om haar schouder. De achtergrond is opgevuld met pijlen die in alle richtingen wijzen. Boven de vrouw zien we telegraaflijnen en isolatoren. Links en rechts zijn in ronde schilden telegrafietoestellen afgebeeld. In de linkerbovenhoek zien we een seinsleutel: een kenmerkend instrument van de telegrafie waarmee berichten werden verzonden. Rechtsboven staat de elektrische telegraaf afgebeeld: het ontvangsttoestel met de papieren strook waarop de berichten verschenen. Aan weerszijden van de vrouwfiguur staan twee hoge standaarden met brandende vuurschalen. Onderaan, in de hoeken links en rechts, zijn twee postduiven geschilderd. Zij staan symbool voor de communicatie in de oude tijd. Daartussen zijn de schakels geschilderd van de keten waar de mensheid zich van bevrijd had.

Op het middelste tegeltableau is een gekroonde vrouw frontaal afgebeeld. Ze zit op een imposante troon en is gekleed in een gewaad. Daarover draagt ze een kuras. Ze houdt in elke hand een olijftak vast. Ze wordt omringd door harten of pompeblêdden: het blad van de waterlelie dat symbool staat voor de provincie Friesland, alsook voor de Groninger Ommelanden. Aan haar voeten staat een vuurschaal. Daaronder is een aardbol afgebeeld met aan weerszijden een gevleugeld wiel. De aardbol is omwikkeld met rails. In de bruinrode lijst eronder staat het jaartal 1895. In het onderste register van het tableau zien we van links naar rechts een bijenkorf met bijen, een caduceus (het attribuut van de handelsgod Mercurius), het wapen van de stad Groningen, een uil en een korenschoof met een sikkel. Ze staan symbool voor de Groninger nijverheid, handel, wetenschap en landbouw. De aardbol symboliseert de wereld die door de aanleg van de spoorwegen bereikbaar is geworden. Het spoor verkortte reistijden en maakte de uitbreiding van de wereldhandel mogelijk. Het tableau is ondertekend met ‘F.H. Bach invit’.

Op het rechtertegeltableau knielt een vrouw die gekleed is in een klassiek gewaad. Zij houdt in haar rechterhand een verzegelde brief en een palmtak. Om haar schouders draagt ze een posttas. In haar linkerhand heeft ze een knots. Boven de vrouw is een stoomlocomotief frontaal afgebeeld. Links en rechts zien we in ronde schilden onderdelen van een stoommachine: een drijfwiel en een stoomregulateur. Aan weerszijden van de vrouwfiguurzijn nog twee stoommachines afgebeeld. Het tafereel wordt omringd door stoomwolken die met sierlijke krullen de onderdelen van het tableau met elkaar verbinden. De vrouwfiguur is het zinnebeeld van de posterijen. Onder haar is een gevleugeld wiel afgebeeld. Het verbeeldt de samenwerking tussen het spoor en de post: post werd in de nieuwe tijd per trein vervoerd. Onderaan in de hoeken links en rechts staan twee paarden. Ze worstelen en gaan ten onder. Uit hun neusgaten komt damp. De oude tijd, waarin de post met paard en wagen werd rondgebracht, is voorbij. Niet langer paardenkracht, maar stoomkracht beheerst de nieuwe tijd. Tussen de paarden loopt de ‘oude keten’ waarvan de mensheid zich bevrijdde.

Arbeid en Tijd

Op de oostwand treffen we twee mansfiguren: de personificaties van Arbeid en Tijd. De titels zijn op de twee tegeltableaus vermeld. De houding van de mannen is statischer dan die van de vrouwelijke personificaties Post en Telegrafie, op de tegenoverliggende wand.

Het linkertegeltableau op de oostwand stelt Arbeid voor. De gehelmde man is gekleed in een voorschoot. Zijn ogen slaat hij neer. Zijn rechterhand rust op een handploeg. Aan zijn voeten staat een cornucopia: een hoorn des overvloeds. Volgens de Griekse mythologie kreeg iedereen die de hoorn in zijn bezit had, alles wat hij of zij begeerde. Boven hem schijnt de zon. De zonnestralen beschijnen tien mieren die staan voor ijver. Aan weerszijden van Arbeid staan vuurschalen op hoge standaards. Ook zien we een amfoor en een mand met opgerolde documenten. In het onderste register staan van links naar rechts een nijvere spin die zijn web weeft, de kop van een os met een houten gareel en vlijtige bijen die een korf in en uit vliegen. De mieren, de handploeg, de spin en de bijen zijn alle symbolen van arbeid en nijverheid. De os symboliseert zware (land)arbeid. De cornucopia staat voor de beloning die de arbeider ten deel valt. 

Het rechtertegeltableau op de oostwand is de personificatie van Tijd. We zien een man met een lange baard en vleugels. Hij is halfgekleed in een lendendoek. Boven hem is een zandloper afgebeeld omringd door zonnestralen. In een band eromheen zijn de tekens van de dierenriem afgebeeld. Zij representeren het complete jaar. Tijd heeft een maatlat in handen. Daaroverheen is een levensdraad gedrapeerd. Met een schaar in zijn linkerhand knipt hij de draad door. De man beschikt over het levenslot: hij meet de levensdraad en bepaalt daarmee hoe lang iemand te leven heeft. Het doorknippen betekent het einde van een mensenleven. Aan zijn rechterhand staat een plant: de rode anemoon die vanwege zijn korte bloeitijd symbool staat voor de vergankelijkheid van het leven. Aan zijn linkerhand zien we een roede en een lauwerkrans. Tijd beloont arbeid met een lauwerkrans en straft luiheid met een roede. Onder zijn voeten is de dubbelkoppige adelaar uit het wapen van de stad Groningen afgebeeld. Aan weerszijden zijn florale motieven geschilderd.

De tegeltableaus maken deel uit van de stationsbouw door de Maatschappij tot Exploitatie van de Staatsspoorwegen (MESS). In het Bouwkundig Tijdschrift (1899) schreef Izak Gosschalk, de architect van het station, dat hij achteraf spijt had dat hij de tableaus niet lager had gehangen: “Het heeft mij later leed gedaan, dat ik niet wat heb opgezocht om ze ietwat lager aan te brengen; men moet nu het hoofd geducht in den nek werpen om ze te zien, hetgeen niet gemakkelijker wordt door het schamplicht, dat zij ontvangen. Daartoe zat helaas de theorie van de omgaande lijn mij nog te veel in den weg!”

Frans Bach

Franciscus Hermanus Bach (1865-1956) werd geboren in Groningen. Zijn vader, die officieel de achternaam Bachg droeg, was van Duitse komaf. In 1884 studeerde hij af aan de Groninger kunstacademie Minerva in de richting tekenen. Hij ontving de Grote Koninklijke Medaille voor anatomie en de Zilveren Academie Medaille voor ornament en compositie. Op 19-jarige leeftijd werd hij aangesteld als docent aan Academie Minerva. Hij gaf daar 43 jaar les. Een aantal van zijn leerlingen richtte in 1918 kunstenaarsvereniging De Ploeg op. Ook Bach was er enige tijd lid van. Bach maakte veel portretten. Ze zijn onder andere te zien in de senaatszaal van de Groningse universiteit. Verder maakte hij studies van stadsgezichten. Hij was een bewonderaar van kunstenaar Antoon Derkinderen. Als monumentaal schilder decoreerde hij verschillende kerken. Tien jaar na zijn dood vond een herdenkingstentoonstelling plaats in het Groninger Museum.

 

Bronnen

De Telegraaf, 18 april 1896.
Algemeen Handelsblad, 23 april 1896.
Nieuwsblad van het Noorden, 17 april 1896
Nieuwsblad van het Noorden, 9 oktober 1965
www.bonas.nl, geraadpleegd op 13 maart 2018.
I. Gosschalk,  ‘Bij de platen, betreffende het nieuwe station te Groningen’, Bouwkundig Tijdschrift 17 (1899), pp. 57-73.
TAK Architecten, Cultuurhistorische waardestelling station Groningen, 2013.
W. van Leeuwen en H. Romers, Een spoor van verbeelding. 150 jaar monumentale kunst en decoratie aan Nederlandse stationsgebouwen, 1988, pp. 28-34, 36-37, 101-105.
H. Romers, De spoorwegarchitectuur in Nederland 1841-1938, 1981.
De Sluitsteen jaarboek, 14 (1998), pp. 22-40.