Station Amersfoort

Station Amersfoort is onderdeel van De Collectie. Op basis van de afspraken tussen NS en ProRail is op dit station een cultuurhistorische waardestelling van toepassing. Lees onderstaand de algemene omschrijving van het station uit de publicatie De Collectie van 2008.

Station Amersfoort van architect J.A. van Belkum werd vier jaar na de oplevering in 1997 door het Art Institute of Chicago geselecteerd voor de tentoonstelling ‘Modern Trains & Splendid Stations’ als het enige Nederlandse gerealiseerde station. De samenstellers waren vooral onder de indruk van de spectaculaire glazen toegangshal, die naadloos is verbonden met de luchtbrug die de reizigers naar de perrons brengt, maar die ook een weids uitzicht biedt over de oude binnenstad van Amersfoort. In 2003 werd dit splendid station op vaderlandse bodem echter neergesabeld door NRC Handelsbladrecensent Bernard Hulsman, die het afdeed als een mislukte grap en als ‘één van de meest modieuze gebouwen van Nederland’ omdat het alle architectuurmodes uit de jaren negentig zou bevatten, en dan ook nog eens dik aangezet.

Toch is, ondanks de inderdaad opvallend expressieve architectuur, de architectuurstijl niet wat dit station in de eerste plaats bijzonder maakt en de opname ervan in De Collectie rechtvaardigt. Toen het ingenieursbureau Arcadis, waarvoor Van Belkum werkte, in 1995 de opdracht kreeg om een nieuw station voor Amersfoort te ontwerpen, leek het negentiende-eeuwse station van D.A.N. Margadant (1901) te bezwijken tussen de kantoorontwikkelingen aan weerszijden, en was het niet meer in staat om de bij een middelgrote stad behorende passagiersbewegingen op te vangen. Toen het kleine station werd gebouwd, was Amersfoort immers niet meer dan een groot Gelders dorp.

Van Belkum moest werken binnen een voor NS op dat moment relatief nieuwe situatie: een mengvorm van publieke en private belangen, functies en vastgoedposities, waarvan het reizen er slechts één was. Het station is dan ook geen apart en aan één functie op gehangen object meer, maar een verknoping van allerlei verschillende functies, zoals kantoren, winkels, openbare ruimte en uiteraard treinreizen. Terwijl daarvoor stations gekoppeld aan kantoorontwikkelingen niet meer waren dan ‘een forse NS-entree in een kantoorwand’, werd hier getracht om een architectonische vorm te ontwikkelen die monumentaliteit zou zoeken in de menging van functies, in plaats van in de eenduidige uitdrukking van het fenomeen reizen.

Behalve een grote kantoorontwikkeling aan weerszijden van het spoor, werd Van Belkum geconfronteerd met historische perronoverkappingen en een verdiept liggend spoortracé waarvoor in de negentiende eeuw een deel van een heuvel was afgegraven. Deze gegevens maakten het mogelijk om direct vanuit de stad, via een 20 meter hoge stationshal achter een immens grote glazen gevel, een naadloze overgang te bewerkstelligen naar een transparante voetgangersbrug waarover men van bovenaf de perrons bereikt. Deze loopbrug van staal en glas lijkt op de oude perrons te rusten en biedt ook een uitzicht over het spoor en de stad. Aan weerszijden van de grote glazen pui van de stationshal heeft Van Belkum, rustend op witte flesvormige kolommen, twee wig- of lensvormige kantoorvolumes geplaatst die uitkragen over het plein. Deze sculpturale, als het ware uit kantoorvloeren geknede vormen, samen met het golvende dak boven de hal, zijn inderdaad tekenend voor de vrije architectuurvormgeving van de jaren negentig. Dat Van Belkums concept van een naadloze overgang van stad naar spoorwegovergang, en het gebruik van een sculpturale vormgeving de jaren negentig hebben overleefd, bewijst echter de ontwikkeling aan de noordkant van het station, waar de noordelijke ingang van het station opnieuw als een ruime glazen stationshal is opgenomen in een expressief vormgegeven kantoorgebouw. Hiermee lijkt ook bewezen dat de nieuwe mengvorm van private en openbare functies en belangen die NS in station Amersfoort heeft ontwikkeld een succes is.