HuldigingStation Den Haag HS

Onderaan de gevel van het koninklijk paviljoen hangt een groot reliëf met een tafereel van de huldiging van een jonge koningin. Het verbeeldt de macht en de kwaliteiten van de vorstin. Centraal in het reliëf staat de jonge koningin met een hermelijnen mantel. Zij houdt de scepter met een sculptuur van een hand in haar armen. Aan haar voeten staat de Nederlandse koningskroon. Ze wordt omringd door een groep figuren in klassieke gewaden. Aan haar rechterhand, zit een knielende mansfiguur met fasces (een roedenbundel met bijl) en een wet in handen. Daarachter staat een figuur die de sleutel van de stad en een palmtak vasthoudt. Zij vertegenwoordigen de macht van de regering en de stad die aan de nieuwe vorstin worden overgedragen. Ernaast staat een figuur met een staf die wordt bekroond met een liggende leeuw: een Oud-Romeins veldteken. 

In de uiterste hoek knielen twee personificaties van Schilderkunst en Muziek. Het zijn twee vrouwen: de een heeft een schilderspalet en een penseel in handen, de ander bespeelt een lier. Uiterst links staat een vrouwfiguur met vleugels die op een lange bazuin blaast. Het is Fama: de Romeinse godin van roem en gerucht. Zij heeft een korte en een lange bazuin. Als ze op de korte blaast, verspreidt ze geruchten en als ze op de lange bazuin blaast is het roem. Aan de linkerhand van de koningin staat een tweede groep figuren: een vrouw met een kind en een knielende man met een zwaard. Zij representeren het volk en de militaire macht waarover de vorstin gaat regeren. Rechts staat een man met een spiegel in handen en een slang om zijn onderarm gewikkeld. Hij draagt een palmtak. En representeert een vorstelijke deugd: de voorzichtigheid. Uiterst rechts zit een vrouw die in een boek schrijft: de muze Clio die met haar gezang helden verheerlijkt. Achter haar staat nog een gevleugelde vrouw met bazuin in haar handen. 

In 1898 werd Wilhelmina op 18-jarige leeftijd als eerste koningin van Nederland ingehuldigd. Dit reliëf uit 1893 liep vooruit op deze gebeurtenis.  

De van oorsprong Belgische beeldhouwer Pierre Elysée (Emil) Van den Bossche (1849-1921) was opgeleid aan de École des Beaux Arts in Brussel. Van den Bossche kwam naar Nederland als assistent van de eveneens Belgische beeldhouwer Eduard Colinet die doceerde aan de kunstnijverheidsschool Quellinus in Amsterdam. Van den Bossche maakte veel beeldhouwwerk voor kerken, waaronder de Amsterdamse Mozes en Aäronkerk. Hij werkte vaker voor de spoorwegen, onder meer in Vlissingen, en ‘s-Hertogenbosch. In 1893 richtte hij samen met Willem Crevels het Atelier Van den Bossche en Crevels op. Dit atelier vervaardigde onder andere het beeldhouwwerk op de Gouden Koets.