BeroepenStation Amsterdam Centraal

Een station voor iedereen

De stationshal van Amsterdam Centraal ligt achter het centrale deel van de voorgevel. Hier werden de treinkaartjes verkocht en kwamen alle reizigersstromen samen. Architect Pierre Cuypers accentueerde de gevel met twee torens en een risaliet. Zowel binnen als buiten werd de hal rijk gedecoreerd. De grandeur van de ruimte weerspiegelt het belang van de centrale ontvangsthal. De ruimte is hoog en beslaat twee verdiepingen. Gewelven, bogen en zwikken zijn beschilderd. Op de zwikken tussen de pijlers en de bogen zijn grote schilderingen aangebracht. Ze stellen diverse beroepen voor: van boer en slager tot soldaat en apotheker, 14 in totaal. De schilderingen onderstrepen dat de hal voor iedereen is. Van hoog tot laag, uit alle gewesten van het land: iedereen is welkom om op reis te gaan, of thuis te komen. Iedere schildering is voorzien van een schild. Het schild bevat de attributen die verband houden met het betreffende beroep. 

Beroepen

Op de oostwand zien we een edelsmid in zijn atelier. Op het schild zien we een ring en een ketting. Ook zien we op de oostwand een plateelschilder die een vaas beschildert. Achter hem staat de oven waarin het vaatwerk gebakken wordt. Het schild bevat een vaas.
Aan de noordwand zien we een smid die een gloeiend werkstuk bewerkt. Rondom hem staat sierhekwerk. Op het schild staan twee sleutels. Ook zien we een koperslager die een koperen ketel aan het drijven. Op ‘zijn’ schild staat een ketel afgebeeld. Op de noordwand zien we verder een onderwijzer die naar een wereldbol wijst. Naast hem staat een schild met daarop een ABC-boekje. Verder bevat deze wand een tuinierster die planten water geeft met een gieter. In het schild is een bloeiende plant geschilderd.
Op de westwand staat een slager afgebeeld die een stuk vlees bewerkt met rechts van hem een weegschaal. Op het schild staan twee bijltjes. Verder zien we een dienstmeid die in een keuken een emmer en een koperen ruitenspuit in handen heeft. Op deze schildering ontbreekt een schild met attributen. 
Aan de zuidwand zien we een Zeeuwse boer die korenhalmen bij elkaar bindt. Op het schild naast hem is een ploeg afgebeeld. Een boerin in Zeeuwse klederdracht draagt een mand met de groenteoogst. Naast haar staat een schild waarop een bijenkorf geschilderd is. Verder zien we op de zuidwand een apotheker die medicijnen aan het bereiden is. Naast hem staat ‘zijn’ schild met het apothekerssymbool: een schaal met een slang. Ook zien we een soldaat met een buks op zijn schouder. Op het schild naast hem is een doodshoofd geschilderd. Voorts toont de zuidwand een visser. Hij heeft een mand op zijn schoot waarin kreeften zitten. Op het schild naast hem zijn twee vissen geschilderd. Tot slot zien we een schipper met zijn arm leunend op een helmstok. In zijn handen heeft hij een verrekijker. Op het schild is een roer geschilderd.

Historische verwijzingen

De afgebeelde soldaat kent een opmerkelijk voorkomen: hij is 17de-eeuws gekleed. Daarmee wordt gerefereerd aan de glorie van De Nederlanden in de 17e eeuw. Ook elders in het station wordt (veelvuldig) de roemrijke Gouden Eeuw verbeeld. Zo is de spelling van de spreuken 17e-eeuws en refereren de decoratie van de stationshal, die van de grote vergaderzaal op de eerste verdieping en de reliëfs op de voorgevel aan het 17e-eeuwse Amsterdamse stadhuis van Jacob van Campen. Cuypers greep overigens niet alleen terug op de Gouden Eeuw. Sommige voorstellingen en motieven refereren ook aan de Nederlanden van voor de Nederlandse Opstand en de Reformatie. Hij paste de historische verwijzing ook toe als allegorie op de toekomst. 

Op de wanden zijn ook kleinere schilderingen aangebracht: schilden te midden van bladmotieven. Op enkele schilden zijn gemeentewapens afgebeeld. Andere tonen voorwerpen op een roodbruine achtergrond. Afgebeeld zijn onder andere een hoed, een handschoen, een pul bier, een weegschaal, een passer met haak, een beitel met hamer, een troffel en een kleermakersschaar. De gemetselde en gestuukte troggewelven en de stalen balken waarop zij rusten, zijn middels sjabloonschilderingen voorzien van florale en bladmotieven. 

Stationslogistiek en -decoratie

Centraal in de hal, bij een houten plaatskaartenkantoor dat ook wel "het orgel"werd genoemd, kocht men de treinkaartjes. Aan oost- en westzijde van de ontvangsthal kon bagage worden afgegeven en vervolgens nam men de trap naar de wachtkamers op de eerste verdieping, in afwachting van de reis.

De functionele indeling van Amsterdam Centraal werd in 1877 ontworpen door ir. A.J. van Prehn (1824-1880). De basis van zijn plan werd gevormd door een grondige analyse van ‘efficiënte stationslogisitiek’. Van Prehn vertaalde dit naar een grondplan met een logische ruimtelijk-functionele indeling. Van Prehns indeling volgde de reiziger in alle stappen van de reis: aankomst, bagageafhandeling, aankoopvervoersbewijs, wachttijd en bestijgen van de trein. Het stationsgebouw zelf werd ontworpen door architect Pierre Cuypers (1827-1921). Cuypers gaf ‘zijn’ station vorm als een eigentijdse stadspoort. Hij koos voor een eclectische, overwegend neorenaissance bouwstijl. Voor publieke gebouwen was dat destijds de meest gebruikelijke bouwstijl. De decoratie van de gevel en het interieur sloot aan bij de grondgedachte van Van Prehn: de rijkdom en de onderwerpen werden afgestemd op de functie van de ruimtes, de routing door het gebouw en de hiërarchie van de verschillende gebouwdelen.

De decoratie van de gevel en het interieur was niet opgenomen in de begroting, noch in de bestektekeningen. Door handig manoeuvreren en met hulp van zijn vriend Victor De Stuers (1843-1916) – de grondlegger van de Nederlandse monumentenzorg – kreeg Cuypers het toch voor elkaar dat het gebouw rijk gedecoreerd werd met beeldhouwwerk en wandschilderingen. Wat betreft het decoratieprogramma zijn weinig historische bronnen bewaard gebleven. Uit brieven blijkt wel dat Cuypers veelvuldig bepaalde welke schilderingen en decoraties waar moesten komen. Hij werd daarbij geadviseerd door De Stuers en schrijver/dichter Joseph Alberdingk Thijm (1820-1889). Alberdingk Thijm had grote kennis van de Middeleeuwse cultuur en van iconografie. Hij schreef bovendien de dichtregels die op veel plekken in (en op) het gebouw terug te vinden zijn. 

Soms maakte Cuypers schetsen voor de decoraties die door andere kunstenaars uitgewerkt werden. Ambachtslieden brachten ze aan op de gevels. Voor het ontwerp en de uitvoering van het beeldhouwwerk op de voorgevel werden diverse beeldhouwers aangesteld. Bij de ene voorstelling werd de beeldhouwer nogal vrijgehouden, bij de andere was de bemoeienis van het genoemde drietal intensief. Voor de wandschilderingen in het interieur werd de Oostenrijkse kunstenaar Georg Sturm (1855-1923) benaderd. Zijn handschrift is duidelijk af te lezen aan de vele bloemen en planten die herkenbaar zijn weergegeven. Sturm maakte de kartons: ontwerpen op ware grootte die als voorbeeld dienen. De schilderingen werden aangebracht door J. Visser jr. (1856-1938), Gerrit Hendrik Heinen (1851-1930) en de decoratieschilders van Heinens atelier.

Bronnen

H. Romers, Spoorwegarchitectuur in Nederland 1841-1938, 1981, pp. 156-161.
W. van Leeuwen en H. Romers, Een spoor van verbeelding. 150 jaar monumentale kunst en decoratie aan Nederlandse stationsgebouwen, 1988, pp. 18 -25, 86.
De Sluitsteen. Jaarboek 14 (1998), pp. 52-60.
Algemeen Handelsblad, Het Centraal Station, 12 oktober 1889.
A. Oxenaar, Centraal Station. Het paleis voor de reiziger, 1989, pp. 50, 72, 76.
TAK architecten, Cultuurhistorische waardestelling station Amsterdam Centraal, 2015.