TrekvogelsStation Eindhoven

In de hal van station Eindhoven zijn drie ronde vensters voorzien van glasappliqués. De ramen werden in 1956 aangeboden door het gemeentebestuur ter gelegenheid van de opening van het nieuwe stationsgebouw. De drie voorstellingen tonen kleurrijke, gestileerde trekvogels in vlucht.
Trekvogels staan symbool voor reislust. Als thema komen ze vaker voor binnen de kunst van het spoor. Zo maakte Heinrich Campendonk al in 1939 een rond glas-in-loodraam voor de stationshal van Amsterdam Muiderpoort. Ook hij koos hier voor de trekvogel als symbool voor de reislust.

Glasappliqué

In Eindhoven zijn de ramen door Lex Horn samengesteld uit hoekige stukken helder gekleurd glas. Hij was de eerste glazenier die de techniek van het glasappliqué toepaste. Bij deze techniek worden verschillende stukken glas gelijmd tot een geheel. Dit stelde de kunstenaar in staat om ramen te maken zonder de contouren van het lood of beton waarin het doorgaans gevat wordt. Het resultaat is daardoor transparanter en de kleuren van het glas meer overheersend. Horn vond ‘zijn’ techniek goed passen bij de functionele naoorlogse architectuur. De ramen zijn niet prominent in de stationshal aanwezig: ze hebben bescheiden afmetingen en zijn hoog in de oostwand aangebracht. Drie overeenkomstige vensters in de westwand zijn voorzien van normaal vensterglas.

Horn maakte voor station Eindhoven eveneens een groot glasappliqué met de titel Nijverheid van Nederland.

Lex Horn

Lex Horn (1916-1968) studeerde Monumentale en Versierende Schilderkunst aan de Amsterdamse Rijksacademie voor Beeldende Kunst: een opleiding die onder leiding stond van Heinrich Campendonk. Horn was een pionier. Hij ontwikkelde niet alleen de techniek van het glasappliqué maar herintroduceerde ook de sgraffito-techniek in Nederland. Hij was bovendien samen met kunstenaar Hans van Norden in 1952 oprichter van de Vereniging der Beoefenaars van de Monumentale Kunsten (VbMK). 
Horn maakte monumentale kunst en paste daarbij veel verschillende technieken toe: wandreliëfs, sgraffiti, tapijtkunst en vlakglaskunst. Hij werkte vanuit een sterke maatschappelijke betrokkenheid. Opvallend was zijn vermogen om sociale thema’s op een verhalende wijze gestalte te geven. Horn maakte onder andere een betonreliëf voor het Clusiusgebouw van de Universiteit Leiden (1960, herplaatst in 2017) en een sgraffito in de Marcantizaal in Amsterdam (1957, verloren gegaan). Verder maakte hij een glasappliqué voor het kantoor van de Nederlands Christelijk Werkgeversverbond in Amsterdam (1955). In de jaren vijftig kreeg Lex Horn enkele opdrachten van Werkspoor: de bouwonderneming van de Nederlandse Spoorwegen. Behalve de vier ramen voor station Eindhoven, maakte hij ook interieurs voor de slaapwagons die Werkspoor bouwde voor de spoorwegen in Argentinië. 

Bronnen

Crimson, Cultuurhistorische waardestelling station Eindhoven, 2010.
L. Netel en L. Horn, Lex Horn 1916-1968. Monumentale kunst en vrij werk, 2003, p. 24.
A. den Boer en J. Klink, Glaskunst in Nederlandse stations, Spoorbeeld, 2014, p. 45.