Station Sneek

Station Sneek is onderdeel van De Collectie. Op basis van de afspraken tussen NS en ProRail is op dit station een cultuurhistorische waardestelling van toepassing. Lees onderstaand de algemene omschrijving van het station uit de publicatie De Collectie van 2008.

Friesland werd per trein bereikbaar in de jaren zestig van de negentiende eeuw, dankzij de aanleg door de Staatsspoorwegen van Staatslijn a van Arnhem naar Leeuwarden. Met Staatslijn b ontstond ook een verbinding tussen Harlingen en Nieuweschans. Twintig jaar later volgde de aanleg van kortere lijnen die de stations op de grote lijnen verbond met plaatsen in de omgeving. Voor deze uitbreiding werden standaardstations gebruikt, volgens een nieuw ontwerp. 

Rond het IJsselmeer was in deze periode een concurrentiestrijd gaande tussen de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij en de Staatsspoorwegen. De HIJSM opende in 1884 een spoorlijn van Amsterdam naar Enkhuizen om daar vandaan een veerdienst op Stavoren te onderhouden. De Staatsspoorwegen opende tegelijkertijd een spoorlijn tussen Leeuwarden en Stavoren, maar de treintijden werden niet afgestemd op de veerdienst, die immers van de concurrent was. Na enkele jaren was de situatie onhoudbaar en in 1890 nam de HIJSM de exploitatie van de spoorlijn Leeuwarden- Stavoren over. 

De Staatsspoorwegen bouwde op de spoorlijn van Leeuwarden naar Stavoren vooral kleine haltes. Alleen in Sneek, Workum en Stavoren kwamen stations van de derde klasse, volgens een nieuw ontwerp. Deze stations hadden dezelfde opzet als de stations van de derde klasse uit 1863: een hoog middendeel met lage zijvleugels. Het verschil zat in de architectonische uitwerking. De halfronde bovenramen verdwenen, in plaats van zink kwamen er pannen op het dak en het stucwerk van de gevels werd vervangen door baksteen. Deze aanpassing had met meer dan alleen maar de architectuurmode van doen. De eerste generatie stations was met zijn rondbogenstijl tot in de details afgeleid van buitenlandse voorbeelden, met name uit Frankrijk. Met de tweede generatie stations begon het zoeken naar een eigen identiteit van de stations. Het ging om een nieuw soort gebouw met een eigen vormgeving, waarin toch aansluiting met de lokale tradities kon worden gemaakt. Met het gebruik van typisch Nederlandse materialen (baksteen, pannen) en een sobere uitwerking werd hier een aanzet toe gegeven. De decoraties beperkten zich tot de speklagen en sierverbanden in het metselwerk. 

Het vernieuwde station derde klasse werd behalve langs de lijn Leeuwarden-Stavoren ook elders in het land toegepast, zoals in Gorinchem, Appingedam en Purmerend. Sneek is het best bewaard gebleven. Alleen de perrons zijn nog in gebruik voor de spoorlijn, in het stationsgebouw is het Nationaal Modelspoor Museum gevestigd.