Station Groningen

Station Groningen is onderdeel van De Collectie. Op basis van de afspraken tussen NS en ProRail is op dit station een cultuurhistorische waardestelling van toepassing. Lees onderstaand de algemene omschrijving van het station uit de publicatie De Collectie van 2008.

Groningen kreeg pas een aansluiting op het spoorwegennet met de aanleg van staatslijnen in de jaren zestig van de negentiende eeuw. De Staatsspoorwegen begon in 1863 met de bouw van deze lijnen, met het doel om de belangrijkste steden die nog niet door particuliere spoorwegmaatschappijen werden bediend te ontsluiten. Groningen werd een halteplaats op Staatslijn b, de verbinding tussen Harlingen en Nieuweschans, en het eindpunt van de lijn uit het zuiden (Staatslijn c). Net als in Deventer is de locatie van het station typisch voor veel steden in Nederland, namelijk in het schootsveld van de vesting en op korte afstand van de oude binnenstad.

Destijds hadden de meeste vestingsteden in Nederland nog een militaire functie, waardoor er buiten de wallen alleen houten bouwwerken mochten staan. In geval van nood konden deze snel worden afgebroken. Voor de vestingsteden ontwikkelde de Staatsspoorwegen houten stations, min of meer volgens een vast ontwerp. Dit gebeurde niet alleen in Groningen, maar ook in bijvoorbeeld Deventer, Bergen op Zoom, Breda, ’s-Hertogenbosch, Venlo en Maastricht. Nadat in 1874 de Vestingwet was aangenomen, verloren de steden hun militaire betekenis en konden de wallen worden geslecht. De houten stations werden vervangen in steen. Naarmate de steden verder uitbreidden, veranderde de aanvankelijke positie van de stations buiten de stad in een centrale ligging.

Voor de vernieuwing van station Groningen kreeg de Amsterdamse architect I. Gosschalk de opdracht. Het was een van de laatste werken in zijn loopbaan, waarin hij zich bezighield met restauraties, woningbouw en utilitaire bouwwerken. Het station van Gosschalk was in 1893 gereed en is een monumentale poort naar de stad, een icoon voor Groningen. Op zich is de opzet en de indeling van het gebouw niet bijzonder. Gosschalk volgde de gebruikelijke typologie van een langgerekt gebouw (van 121 meter), met een hoog middendeel en lagere zijvleugels die met iets hogere eindgebouwen werden afgesloten. Ook in de architectuur is Groningen duidelijk verwant aan de grotere stations van rond de eeuwwisseling. De vensters, erkers, loggia’s, balustrades, daklijsten en bekroningen zijn rijkelijk gedecoreerd. In het gebouw is veel natuursteen verwerkt en werden tegeltableaus toegevoegd. De dieprode kleur van de baksteen maakt dit gebouw ontegenzeglijk Gronings.

In de loop van de jaren verloor het station veel van zijn grandeur achter betimmeringen en verlaagde plafonds. Tijdens een omvangrijke restauratie in de jaren negentig werd het gebouw zo veel mogelijk in oorspronkelijke staat teruggebracht. In 2004 werd begonnen met de herinrichting van het stationsplein, hier werd een fietsenstalling onder een verhoogd plein gemaakt: het Stadsbalkon.