Station Enschede

Station Enschede is onderdeel van De Collectie. Op basis van de afspraken tussen NS en ProRail is op dit station een cultuurhistorische waardestelling van toepassing. Lees onderstaand de algemene omschrijving van het station uit de publicatie De Collectie van 2008.

De naoorlogse stationsarchitectuur van Schelling combineert een sober klassiek idioom met een zeer uitgewerkt en nauwkeurig gebruik van prefabbetonelementen, op een wijze die sterke ver wantschappen vertoont met het werk van de Franse architect Auguste Perret (1874-1954): uiterst dunne kolommen, opengewerkte elementen als de claustra (een decoratief betonnen rasterwerk naar antiek motief), luifels en een symmetrische ruimtelijke indeling, dit alles binnen een modulaire maatvoering. Precieze proporties, ruimtelijke rust en ritmiek en de elegante maar sobere betonelementen bepalen de esthetiek. Het beton werd in zijn pure vorm toegepast en niet verder afgewerkt (met stuc- en verflagen bijvoor beeld). Wel werden verschillende elementen geschuurd of gezandstraald om subtiele contrasteffecten te bewerkstelligen tussen glad en ruw beton waar de toeslagstoffen (stukjes grind, kwartsiet, graniet, gekleurd glas, spiegelglas, gres, vermalen baksteen, dakpannen, etc.) tevoorschijn komen. Hoewel dit al snel niet meer zichtbaar was door de aanslag van uitlaatgassen en slijpsel, moeten deze gebouwen net na oplevering een subtiel spel van verschillende kleuren beton vertoond hebben.

Bijzonder aan station Enschede is dat het een combinatie is van kop- en parallelstation. Het stationsgebouw is in de oksel van twee spoorrichtingen gebouwd met aan de westzijde de kopsporen van de lijn uit Deventer en aan de noordkant de langssporen richting Duitsland. Een opengewerkte, ranke klokkentoren (een element dat in vier van de vijf naoorlogse stations van Schelling terugkomt) markeert het station en daarmee de stad Enschede van ver. De verbouwing van 2000 (iaa Architecten) heeft de helderheid en monumentaliteit van het gebouw nauwelijks aangetast, ondanks soms ingrijpende veranderingen in zijn functioneren. De hoofdentree is naar de zuidzijde van het gebouw verplaatst; een nieuwe trap leidt direct van de straat naar het oorspronkelijke terras, waar de hal is uitgebreid door de ruimte van het oorspronkelijk restaurant erbij te trekken. Alle toevoegingen (een extra luifel boven de nieuwe trap, nieuwe wanden rond het terras) zijn uitgevoerd in glas, zodat de oorspronkelijke architectuur zichtbaar blijft. Hoewel de hoofdrichting in het gebouw door de ingreep is veranderd, blijft de oostzijde nog steeds een route van belang, doordat zich hier de Kiss+Ride- en taxistandplaatsen bevinden.

Schelling ontwierp tijdens de Wederopbouw vijf stations: Enschede, Hengelo, Zutphen, Leiden en Arnhem. Station Enschede is zijn meest classicistische station te noemen en vandaag de dag het meest pure voorbeeld van zijn architectuuropvatting. Doordat het bijna vierkante ontvangstgebouw op een podium is geplaatst en door zuilenrijen wordt omsingeld, heeft het een tempelachtige opzet. Via een monumentale trappartij onder een royale luifel met bovenlichten kwam men oorspronkelijk aan de oostzijde het gebouw binnen. Hier werd de reiziger door een ruime hal – geflankeerd door de plaatskaartenloketten en de restauratie – direct naar de perronentree aan de westkant geleid. De toon in de hal wordt gezet door de gecanneleerde zuilen en door geometrische lichtpatronen die worden veroorzaakt door het zonlicht dat door de claustra-elementen van de dakopbouw en de bovenlichten naar binnen valt.