Station Eindhoven

Station Eindhoven is onderdeel van De Collectie. Op basis van de afspraken tussen NS en ProRail is op dit station een cultuurhistorische waardestelling van toepassing. Lees onderstaand de algemene omschrijving van het station uit de publicatie De Collectie van 2008.

Eindhoven moest na de Tweede Wereldoorlog een echte stad worden met een nieuw stadhuis, een cultureel centrum, winkelstraten, moderne warenhuizen, een ruim opgezette universiteitscampus, brede wegen en monumentale verkeerspleinen. Om de slag om het forenzenverkeer te kunnen winnen van de auto, moest NS een modernisering bewerkstelligen van zijn stations, waarbij efficiëntie en korte wachttijden vooropstonden. In het verlengde hiervan werd het architectonische concept van K. van der Gaast voor het nieuwe station van Eindhoven uit 1956 vooral gedicteerd door verkeerstechnische overwegingen. Zijn ontwerp voor het stationsgebouw bestaat uit twee onderdelen: een hoofdgebouw en een 140 meter lange perronoverkapping. De voorgevel van het station bestaat uit een monumentale glaswand met een verticale geleding en is net als het interieur van het gebouw in een sobere, modernistische stijl ontworpen, met nadruk op gladde en moderne materialen, hier en daar omkaderd en aangevuld met welhaast classicistisch aandoende architectonische elementen, waarvan de hoge en licht gebogen ‘campanile’ het meest opvallende is. De glazen pui rust op een monumentale reeks zwartgepolijste hardstenen kolommen, waartussen zich de entree bevindt.

Het hoofdgebouw bestaat uit een grote hal waaromheen verschillende faciliteiten voor het reizende verkeer zijn gegroepeerd. De routing binnen het stationsgebouw continueert de voetgangersstroom van buiten en voert deze soepel de reizigerstunnel in die naar de perrons leidt. De verschillende entrees zijn aan de zuidzijde van de hal gesitueerd en aan de noordzijde bevond zich het plaatskaartenkantoor met de loketten. Het open karakter van het gebouw moest de dynamiek van de verkeersstromen zichtbaar maken.

Van der Gaast situeerde het restaurant op de verdieping aan de voorzijde van het gebouw, onafhankelijk van de verkeersstromen, boven de entrees. De glazen voorgevel en het bijbehorende terras boden de restaurantbezoekers uitzicht over het moderne stadscentrum in opbouw. De kantoorruimtes voor het NS-personeel werden ondergebracht in verdiepingen boven de loketten, langs twee balkonpartijen die uitzicht boden op het komen en gaan van de reizigers in de grote hal. Ondanks verschillende aanpassingen en verbouwingen heeft het stationsgebouw zijn lichte en rustige karakter kunnen behouden. Dit geldt ook voor de architectonische details, zowel interieur als exterieur, die vrijwel allemaal nog origineel zijn.

De architectuur beperkt zich echter niet tot het gebouw zelf, maar strekt zich uit in de aan een Romeins forum herinnerende colonnade langs de spoordijk, met gemetselde kolommen die als kleinere kopieën van de hoge klokkentoren van het station vanuit de trein zichtbaar zijn. Op deze manier heeft Van der Gaast niet alleen de treinen en de passagiers, maar ook de af- en aanrijdende bussen en de grootstedelijke ruimte tussen de Witte Dame, de Bijenkorf en het TPG-gebouw gefixeerd in een moderne maar subtiele stedenbouwkundige compositie.