Station Dordrecht

Station Dordrecht is onderdeel van De Collectie, tevens is het onderdeel van een reeks standaardstations. Op basis van de afspraken tussen NS en ProRail is op dit station een specifieke en een algemene cultuurhistorische waardestelling van toepassing. Lees onderstaand de algemene omschrijving van het station uit de publicatie De Collectie van 2008.

Langs de staatslijnen, die in de jaren zestig van de negentiende eeuw werden aangelegd, voldeden de standaardontwerpen prima voor de bouw van kleinere stations. Anders lag dat met de stations in de grotere provinciesteden en op belangrijke knooppunten in het spoorwegennet. Ook hiervoor waren standaardontwerpen gemaakt, namelijk eerste en tweede klasse. In de praktijk werden aan de bouw van ieder groot station echter zulke specifieke eisen gesteld, dat een standaardontwerp eigenlijk niet goed was te gebruiken. De stations van de eerste en tweede klasse zijn daarom uitzonderlijk, zoals Zutphen (verdwenen), Zwolle en Dordrecht. Het onderscheid tussen de eerste en de tweede klasse is, gezien de vele aanpassingen, bovendien niet goed meer te maken. Wanneer alleen wordt gelet op de aanwezigheid van een stationsoverkapping, dan is Zwolle het enige uitgevoerde standaardstation van de eerste klasse.

Station Dordrecht ligt op Staatslijn i van Breda naar Rotterdam. De aanleg van dit traject had de nodige voeten in de aarde, vanwege de noodzaak om het brede Hollands Diep te overbruggen. Omdat er al een spoorwegverbinding bestond van Antwerpen naar het dorpje Moerdijk, lag het voor de hand om hier de brug te maken. Zo kwam tegelijk met de lijn vanuit Rotterdam naar Breda ook een rechtstreekse verbinding tussen Rotterdam en Antwerpen tot stand. In 1866 werd het traject van Breda naar Moerdijk geopend. Pas in 1872 was de spoorbrug over het Hollands Diep gereed en kon de hele lijn tot Rotterdam worden gebruikt.

Voor de stad Dordrecht besloot de Staatsspoorwegen een station van de tweede klasse te bouwen. Ondanks de aanpassingen aan het standaardontwerp past het station in zijn opzet, materiaalgebruik en detaillering goed in de logica van de standaardstations. Opvallend is de monumentale lengte van het gebouw (108 meter). In het hoge middengedeelte zijn negen deuren geplaatst die toegang geven tot de stationshal. De gevel is bekroond met een fronton, waarin de stationsklok is geplaatst. Aan beide zijden strekken lange lage vleugels zich uit langs het spoor. Op de beide uiteinden zijn kopgebouwtjes, die boven het dak van de vleugels uitsteken.

In de architectuur van het station valt vooral op hoe secuur het gebouw is uitgewerkt met een herhaling van steeds dezelfde elementen en decoraties. Kenmerkend zijn de rondboogvensters en -deuren, het metselwerk met rode baksteen, de sierlijsten onder de dakranden en in de gevels en het zinken dak met de felsnaden.