Ode aan de Koning, decoratie van het koninklijk paviljoen van Amsterdam Centraal

In Nederland werd een aantal treinstations voorzien van een koninklijke wachtkamer, of beter: koninklijk paviljoen. Ze worden gebruikt voor ontvangst van de koninklijke familie, hun gevolg en hun gasten. Bovendien fungeren ze als rustplaats: een plek waar het gezelschap zich even kan terugtrekken. De meest bekende wachtruimte is het koninklijk paviljoen op Amsterdam Centraal.

In totaal zijn er zes koninklijke paviljoens gerealiseerd. De paviljoens van Amsterdam Centraal, Baarn en Den Haag HS zijn nog intact. Voorheen waren er ook koninklijke paviljoens in de stationsgebouwen van Apeldoorn en Vlissingen. Op de plaats waar nu station Den Haag Centraal staat, lag tussen 1870 tot 1973 een station van de Nederlandsche Rhijnspoorweg-maatschappij (NRS), voorzien van een koninklijk paviljoen. Het historische interieur van de koninklijke salon van de Staatsspoorwegen is na de sloop van het stationsgebouw in 1973, is het overgebracht naar het Spoorwegmuseum in Utrecht.

Koninklijk paviljoen in Amsterdam Centraal

Architect Pierre Cuypers (1827-1921) gaf Amsterdam Centraal vorm als een eigentijdse stadspoort. De centrale gevel accentueerde hij met een hogere noklijn, twee torens en een risaliet: een vooruitspringend geveldeel. Hierachter kwam de stationshal te liggen. Het koninklijk paviljoen werd ondergebracht in de oostvleugel van het station. Aan de buitenzijde kreeg het paviljoen een hoge kap. Het geheel risaleert nog iets sterker dan het centrale geveldeel. De geveldecoratie is gerelateerd aan het Koningshuis, aan het reizen en in het bijzonder aan ‘de blijde inkomst’.
Cuypers maakte voor het paviljoen een totaalontwerp. Hij ontwierp het bouwdeel en hield toezicht op de decoratie en inrichting van het gehele interieur: van de mozaïekvloeren, de wandbetimmering en de tapijten tot de meubels, de wandschilderingen en de kroonluchters. Zelfs de kapstok in de koninklijke salon gingen langs Cuypers voor goedkeuring. 
De schilderingen werden ontworpen door de Oostenrijkse schilder Georg Sturm (1855-1923). Hij maakte de kartons die als voorbeeld dienden voor de daadwerkelijke realisatie. De schilderingen werden aangebracht door decoratieschilders van het atelier van Gerrit Hendrik Heinen (1851-1930) en mogelijk door J. Visser jr. (1856-1938). Bij de keus voor het decoratieprogramma en de spreuken kreeg Pierre Cuypers advies van Joseph Alberdingk Thijm (1820-1889): een bekende 19de-eeuwse schrijver, dichter en kenner van de middeleeuwse cultuur en iconografie.
Het glas-in-lood werd waarschijnlijk uitgevoerd door Atelier ’t Prinsenhof te Delft. Het atelier voor kerkelijke kunst van Cuypers, Atelier Cuypers-Stoltzenberg uit Roermond, verzorgde het siersmeedwerk. Wie de gipsen wandreliëfs uitvoerde is niet bekend.

Het paviljoen omvat een wachtkamer, een dienstvertrek, een garderobe met toiletruimte, een kamer voor het gevolg en een trappenhuis. Aan de stadszijde heeft de entreehal van het paviljoen de vorm van een doorrit. Aan de oostzijde kon een koets (of auto) door de poort naar binnenrijden om aan de westzijde het paviljoen weer te verlaten. Een escalier d’honneur leidt vanaf de entree op het stationsplein naar het paviljoen.

De entree

Op het eerste perron markeert een groot verguld hek de toegang tot de koninklijke wachtkamers.
De entree zelf wordt door twee zuilen in drieën gesplitst. Hierdoor ontstaat de vorm van een klassieke triomfpoort. In de vensters zijn gebrandschilderde glas-in-loodramen aangebracht met het rijkswapen en provinciewapens.
De entreepartij wordt direct na de toegangsdeur door een boog gescheiden van de salon. Op de boog zijn vier medaillons met koninklijke portretten en allegorische voorstellingen van de oude en nieuwe tijd geschilderd. De boog heeft twee iconische kapitelen met een gipsen reliëf van kindfiguren.

De salon

In de entreepartij en de salon is bovenaan de wanden een fries met een fabel in de traditie van Aesopus geschilderd. Deze zogenoemde vorstenspiegel - een afbeelding van de deugden die verbonden zijn aan het koningschap - wordt versterkt in één van de spreuken op de wand: “Gelukkig is het Land/waar Recht en Orde woont”. In de salon hangen twee grote ronde en rijk gedecoreerde kroonluchters. Oorspronkelijk waren ze voorzien van gasverlichting: een noviteit voor de jaren ’80 van de 19de-eeuw.

Het trappenhuis

Net als de toegang tot het perron is de doorgang van salon naar trappenhuis als een triomfpoort met glas-in-loodramen uitgevoerd. Het trappenhuis bevat twee beschilderde friezen. Eén toont de vier levensfases van de mens, het andere verbeeldt in vier drieluiken de seizoenen van het jaar. Ook in het trappenhuis zijn tussen twee bogen en de pilasters iconische kapitelen met kindfiguren en florale motieven aangebracht. Op de zuidwand is een wandschildering van drie mensfiguren die de toenmalige drie delen van het Koninkrijk der Nederlanden verbeelden: Oost-Indië, Nederland en West-Indië. Boven de deuren van de entreehal op de begane grond, daar waar de gasten in- en uitstappen, zijn de opschriften ‘Vaarwel’ en ‘Welkom’ te lezen. Reizigers die vanuit de stad het station betreden lezen dus het welkom. Wie het station verlaat en de stad ingaan, leest Vaarwel. Deze groeten zijn ook verwerkt in het tapijt dat voor de salon werd ontworpen.

De relatie tussen koning Willem III (1817-1890) en Cuypers was niet geheel smetteloos. Zo had koning niet kunnen voorkomen dat Cuypers het Rijksmuseum, dat in dezelfde periode werd ontworpen, een ‘Rooms-Katholiek’ karakter had gegeven. Willem III weigerde de eerste steen van het Rijksmuseum te leggen en woonde ook de officiële opening niet bij. Hij stelde: “Je ne mettrai jamais le pied dans ce monastère”: ik zal nooit een voet zetten in dat klooster. Toch werd Cuypers een week voor de opening van het Rijks benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw vanwege zijn rol bij de totstandkoming van het gebouw. Op zijn beurt bracht Cuypers een (bescheiden) ode aan de koning in het Koninklijk Paviljoen van Amsterdam Centraal. Het portret van de koning, zijn wapenspreuk en zijn familiewapen – en die van zijn gemalin – werden hoog op de wand geschilderd.

Het paviljoen wordt beperkt opengesteld: alleen voor rondleidingen op afspraak en bij speciale gelegenheden openen de deuren zich voor publiek.

 

Bronnen:

www.rkd.nl, op 11 juni 2018.
W.R.F. van Leeuwen en H. Romers, Een spoor van verbeelding. 150 jaar monumentale kunst en decoratie aan Nederlandse stationsgebouwen, 1988, pp. 18-27, 80-90.
T. Honing (samenst.) en R. Nolet (red.), Koninklijke wachtkamers. Een reis door de tijd. Royal waiting rooms. A journey through time, 2013, pp. 18-25.
H. Romers, Spoorwegarchitectuur in Nederland 1841-1938, , 1981, pp. 101-110.
www.koninklijkewachtkamers.ns.nl geraadpleegd op 19 mei 2018.
www.at5.nl, op 11 juni 2018.
De Sluitsteen, Jaarboek, 14 (1998) pp. 52-60
‘Het Centraal Station’, Algemeen Handelsblad. Nieuwe Amsterdamsche Courant, 12 oktober 1889.
A. Oxenaar, Centraal Station. Het paleis voor de reiziger, 1989.
TAK architecten, Cultuur-historische waardestelling station Amsterdam Centraal, 2015.