Beton en Stad / Station Enschede

De betekenis van beton

De grootste ontdekking die de cultuurhistorische analyse van Station Enschede  opleverde was het beton. Althans, de betekenis die  spoorbouwmeester Schelling zestig jaar geleden wist te geven aan dit materiaal dat toen nog als uiterst functioneel en onesthetisch werd beschouwd.

Het nu nog steeds uiterst sober aandoende station aan de rand van het Enschedese centrum, is het resultaat van eindeloze proefnemingen in de betonfabriek met zoutzuurbaden, gekleurde toeslagen en zandstraaltechnieken. Waar was Schelling naar op zoek? Hij wilde een betonarchitectuur, waarbij het materiaal voor zich zou spreken, dus niet bedekt met natuursteen, baksteen of siertegelwerk. Dit was voor hem een principe dat hij met bijna religieuze intensiteit beleed en ook als zodanig beschreef. Kleur, textuur en vorm werd bereikt met het zandstralen van de cannelures en het polijsten van de repen er tussen, zodat door de toeslag van gebroken wit grind er een zilverwit effect te zien zou zijn die in strepen langs de kolom naar beneden gaat. En dit is maar één van de uiterst subtiele maar met grote serieusheid en wetenschappelijke gestrengheid gezochte architectonische effecten die in het gebouw te zien zijn. Wat we met andere woorden ontdekten in Station Enschede, was de ontdekking die Schelling en de betonfabrikanten zestig jaar daarvoor deden: van beton als een buitengewoon rijk en veelzijdig bouwkundig materiaal.

Monumentaliteit uit de fabriek

Enschede was meer dan slechts één uniek station; het maakte deel uit van een reeks gebouwen die door Schelling werden ontworpen met precies hetzelfde architectonische repertoire. Station Leiden (afgebroken), Zutphen, Hengelo, Arnhem (afgebroken). Dat verklaart een beetje de buitengewone aandacht die Schelling gaf aan het in de fabriek ontwikkelen van een bouwsysteem, dat niet alleen functioneel zou zijn, maar ook de monumentaliteit en de schoonheid met zich mee zou brengen die een station nodig heeft.

Als we de zwart-wit foto’s van het net opgeleverde station Enschede bekijken, en met name de interieurs, zien we verstilde ruimtes die door het ingetogen maar uiterst precieze materiaalgebruik, door de geometrische regelmaat van de modules en door de symmetrie van de plattegrond een tijdloosheid uitstralen. Deze steekt schril af tegen de huidige inrichting, waar van verstilling of tijdloosheid nauwelijks nog sprake is.

De modulaire opbouw en de kolommen en andere Schelling-elementen zijn weliswaar nog zichtbaar, maar ze staan niet meer los in de open ruimte. Kolommen zijn nu bijvoorbeeld tussen twee glazen puien terechtgekomen, en zijn daarmee eigenlijk pilasters geworden. De basilica opbouw is door het volbouwen van de zijbeuken onzichtbaar geworden en zo verder. We zien hier de effecten van de transformatie van het station van een representatieve ruimte waar men treinkaartjes koopt en wacht op aankomende treinen of arriverende familieleden, in een commerciële ruimte, waar men eten koopt, geld leent en tijdschriften aanschaft. Het wachten en het kaartjes kopen is verbannen naar seriematig objecten die buiten de stationshal staan.

Gebrek aan specifieke benadering

Wij kwamen er achter dat het niet zozeer de verandering in functie was, die de ervaarbaarheid van het oude gebouw bedreigde, maar een andere, meer diep liggende bedrijfsmatige verandering. In plaats van het gebouw te behandelen als een unieke plek, met unieke kansen en unieke eigenaardigheden, worden stations gezien als generieke plekken. De contracten met de uitbaters van de ruimtes in de stations zijn uniform; overal moet het grenswisselkantoor dezelfde tegels hebben overal de Bruna dezelfde soort pui. Het station wordt verkaveld en uitgegeven aan formules. Deze passen nooit perfect, en veroorzaken loze ruimtes, ongebruikte hoeken, blinde puien, achterkanten en rare invullingen. Daar zit het werkelijke probleem van het oude stationsgebouw; in de systematiek waarmee het vastgoed wordt uitgegeven, een systematiek die niet architectonisch is, noch specifiek.

Betekenis voor het stationsgebied

Wat zou Schelling doen in 2012, als hij zich geconfronteerd zag met de nieuwe eisen aan zijn station? Wat zou hij bovendien doen als hij het nieuwe Enschede zag, zoveel ruimer opgezet, zoveel groter en stedelijker dan in 1950? Hij zou waarschijnlijk de opgave om van het station een plek voor winkels, voor horeca en voor efficiënt reizen met eenzelfde precisie en gevoel voor schoonheid hebben beantwoord. In plaats van moeizaam de nieuwe functies in de oude vorm te duwen, had hij nieuwe ruimtes gecreëerd. Hij had de winkeliers ervan overtuigd dat zij een unieke positie in de stad bezaten, die veel verder ging dan het snel wat verkopen aan de gehaaste reizigers. Het station staat immers niet meer aan de rand van de stad, maar er middenin. Juist klassieke monumentaliteit, lichtheid en transparantie maar vooral ook een textuur en een gelaagdheid van materialen zijn schaars geworden in de hedendaagse stad. Een transparant stationsgebouw, elegant en oud, met enkele goed gekozen en nauwkeurig geplaatste winkels, een enkel café met terras dat uitkijkt over het plein, zou een middelpunt kunnen zijn in een groter en uitbundig geprogrammeerd stationsgebied. Dit is wellicht de grootste ontdekking , dat dit gebouw, mits beschouwd als een unieke plek, een enorme betekenis zou kunnen hebben voor de ontwikkeling van het stationsgebied.